Vele eeuwen is de vrouw achtergesteld. Het jaar 1870 is een belangrijk jaar in de emancipatiestrijd omdat er voor het eerste een vrouwelijke student tot de universiteit werd toegelaten. Daarna duurde het tot 1919 alvorens de vrouw “algemeen kiesrecht” kreeg en in de roerige jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw zijn nog meer resultaten bereikt.
Ik ging er altijd vanuit dat erin de Dokkumer Wâlden weinig vrouwen waren die de kolen uit het (emanicaptie)vuur wilden halen. Een berichtje uit de Leeuwarder Courant van 18 februari 1899 heeft mij van gedachten veranderd. Er staat vermeld dat aan de vrouwelijke leden van de Doopsgezinde Gemeente te Dantumawoude stemrecht is toegekend bij het beroepen van een predikant.
De schrijver van het artikeltje staat aan de kant van de vrouw. Hij vermeldt ook nog dat het Algemeen Nederlands Gymnastiek Verbond een nieuwe bepaling heeft aangenomen waar damesgymnastiekverenigingen als gewone leden van het Verbond kunnen toetreden, “terwijl ze vroeger alleen als buitengewone leden aangenomen werden”. Politiek kiesrecht is er in 1899 nog niet. “Maar als de plaats der vrouw in het dagelijksch leven ingeruimd steeds meer uitgebreid wordt dan kan de politiek op den duur niet voor haar gesloten blijven”. Het artikel is afgesloten met een twee-regelig gedicht: “In het kleine vangt men aan/Om met het groote voort te gaan”.