Het is nog niet zo lang geleden dat het rapen van kievitseieren (ljip-aaisykjen) een echte sport was. Mijn vader was er hel goed in. Hij tuurde over het veld en liep vrijwel direct naar de plaats waar het nest te vinden was. Een oom van mij woonde in de buurt van Dalfsen. Waarschijnlijk was hij de enige ljip-aaisyker want hij had er tientallen die wij mochten verkopen bij een poelier in Dokkum. De eieren die mij vader raapte werden soms ook verkocht maar meestal verorberden wij ze zelf. Ik begrijp heel goed dat sommige “rijken” goud geld van deze lekkernij over hadden.
Inmiddels zijn er bijna geen kieviten meer en het rapen is verboden. In de Arnhemse Courant van 24 april 1869 staat in een klein artikel dat er vanuit Harlingen per stoomboot 60.000 kievitseieren naar London zijn vervoerd.”Geen wonder, dat wij hier geen deze aangename versnaperingen te zien krijgen. De prijzen zijn dan ook niet gesteld voor menschen die op de waarde van het geld moeten letten. De boerenknapen intusschen varen er wel bij; uit Dantumadeel bijvoorbeeld wordt gemeld, dat twee knapen in de gemeente er reeds meer dan honderd en vijftig hebben gevonden.”
60.000 eieren is tegenwoordig een enorm aantal. Wat hebben we met zijn allen in de afgelopen 150 jaar gedaan?