De bevolking van Noordoost Friesland staat over het algemeen bekend als niet-opstandig en niet-revolutionair. Terwijl de sociaal-economische situatie in dit gebied tot de slechtste van het land behoorde werd alles door de bewoners in ootmoed aanvaard. De socialisten vragen zich aan het eind van de negentiende eeuw regelmatig af wanneer er eind komt aan deze gelatenheid. De dominees preken over het hiernamaals maar wanneer gaan de bewoners van Noordoost Friesland eens dromen van een hemel op aarde? In elk geval vindt het socialisme hier een weinig vruchtbare bodem. Een gevleugelde uitdrukking is “Doar de minste te wêzen”.
In de praktijk raakt de geest toch zo-nu-en-dan uit de fles. Hét grote voorbeeld is natuurlijk het Kollumer Oproer in 1797 dat mensen als Jan Binnes (uit Oudwoude) en Salomon Levi (Zwaagwesteinde) letterlijk de kop heeft gekost. In het laatste decennium van de negentiende eeuw heerst er, ten gevolge van de Agrarische Crisis, extreme armoede in dit gebied. Arbeiders verdienen in de werkverschaffing maar 45 cent per dag en kunnen daar niet van rondkomen. Anderen verdienen niets omdat er geen werk of uitkering is.
In februari 1887 verliest G.M. in Driesum een koe aan het kalven. Het dier is tot op het moment van doodgaan kerngezond en is geschikt voor consumptie. De boer laat de koe verder slachten en wil het vlees uitdelen aan de armen. Uiteraard kijkt de overheid mee en zijn de belastingcommiezen de mening toegedaan dat het gestorven beest voor de belasting te laag is getaxeerd. Ze willen een gesprek met de boer en reizen naar Driesum. De eigenaar biedt aan het bedrag, dat te weinig aan accijns is betaald, bij de te passen maar de commiezen gaan hier niet mee akkoord. Ze confiskeren de koe en willen haar meenemen naar Dokkum. Alleen als de eigenaar vijftien gulden betaalt mag hij het beest houden en het vlees uitdelen aan de armen.
De eigenaar gaat niet op dit voorstel in zodat de commiezen het transport naar Dokkum gaan voorbereiden. Op miraculeuze wijze is er in Driesum noch Dantumawoude één voerman te vinden die het kadaver wil of durft te vervoeren. Daarom gaan de dienaren van de wet te rade bij een slager en voerman uit Dokkum. Als de Driesumers hier licht van krijgen loopt het dorp massaal uit om het vervoer te voorkomen. Daardoor lijkt de zaak helemaal uit de hand te lopen. De commiezen, de slager en voerman proberen hun hachie te redden en kiezen zo snel mogelijk het hazepad naar Dokkum. De koe blijft achter en wordt verdeeld onder negentig (!)armen.