De Westereen is een bijzonder dorp. Alhoewel er al eeuwen sprake was bewoning hoorde het dorp kerkelijk onder de Hervormde Gemeente van Dantumawoude. Vanaf eind 18de eeuw wijken steeds meer mensen uit naar de heide en neemt het aantal bewoners snel toe. De kerk neemt haar verantwoordelijkheid en verzelfstandigt in 1834 de Westereen tot een zelfstandige kerkelijke gemeente. De eerste predikant, W.C. van der Zwaag, schrijft in een boekje, dat in 1836 verschijnt, over zijn eerste ervaringen. “ikvond de Gemeente in eenen beklagenswaardigen toestand”. “De meeste kinderen, gelijk een groot aantal bejaarden, waren ongedoopt. Het kleinst gedeelte der inwoners kon lezen. Zelfs trok ik er verscheidene aan, die jaren lang in onecht geleefd hebben, zonder hierin iets onbetamelijks te vinden; en sommigen, zeer vele kinderen vooral, die van het verkeer met menschen grootendeels uitgesloten geweest geheel ruw en ongevormd; – terwijl het grofste bijgeloof hier en daar zijnen schepter zwaaide!”

Nu de kerk fysiek tussen de mensen was kon het beschavingsoffensief beginnen. Als de dominee in de buurt van de huidige Koopmansweg en Keimpe Sikkemaweg kwam zal hij waarschijnlijk vaak gedacht hebben aan Sodom en Gomorra. In dit gebied woonde eerder Lieuwe Jelles de Jong (1772-1828) en later zijn dochter Lieuwkje (1803-1831). Zij huwde in 1822 met Jacobus van Seggeren (1803-1855), een voerman uit Leeuwarden en kreeg in 1823 een dochter (Fokje) van hem. Daarna loopt het liefdes leven van beide echtgenoten volledig uit de hand.

Jacobus van Seggeren woont eind jaren twintig in Leeuwarden met Gettje Gerrits Lijzinga (1805-1894) maar zij kiest eind 1830 voor een huwelijk met Sytse Frederiks van der Werff en voegt zich bij hem in Birdaard. Op 9 juni 1829 is er een zoon (Evert) geboren uit de relatie van Jacobus en Gettje.
Lieuwkje is intussen terug in de Westereen en woont, aan de huidige Koopmansweg. Rinse Jans Monsma (1808-1881) woont bij haar in en op 16 mei 1831 krijgen ze een zoon die door Rinse wordt ingeschreven in de burgerlijke stand. Alhoewel Rinse en Lieuwkje niet getrouwd zijn erkent Rinse de zoon die ingeschreven wordt als Jan Monsma.

Lieuwkje overlijdt op 16 december 1831 en de aangevers van haar overlijden zeggen niet te weten waar haar wettige echtgenoot, Jacobus van Seggeren, verblijft. Fokje, een halfzuster van Lieuwkje de Jong, trekt daarna bij Rinse in en op 17 februari 1834 geven ze elkaar het ja-woord. In dit huwelijk worden acht kinderen geboren.

Daarna gebeurt er iets vreemds. Jan Monsma (1831-1909) draagt zijn achternaam niet met trots en laat zich, volgens het na afloop van de militaire dienst meegegeven attest, Jan de Jong noemen. Als hij op 30 augustus 1865 trouwt met Baukje Geerts Elzinga (1823-1904) legt hij de gelofte van trouw af als Jan Jacobus van Seggeren.

Wat is hier aan de hand? Schaamt hij zich er voor een onecht kind te zijn? Kan hij zich niet verzoenen met het idee dat zijn moeder, op het moment van de geboorte, de wettige echtgenote was van iemand anders? Is dit een gevolg van het beschavingsoffensief van de kerk?

Waarschijnlijk heeft Jan geen hoge pet op van de man van wie hij de achternaam draagt want geen van zijn zonen krijgt de naam Jacobus. Van de vijf kinderen die hij verwekt heet er één Rinse (naar de (stief)vader) en één Lieuwkje (naar de moeder). De oudste zoon draagt de naam Tjeerd; een naam die noch in de familie van Jan, noch in die van zijn vrouw Baukje, direct voorkomt.

Jacobus van Seggeren hertrouwt op 29 maart 1837 met Jitske Doekes Morrema (1802-1859). Kon zijn verhouding tot Lieuwkje de Jong en Gettje Lijzinga al niet de goedkeuring wegdragen van de zedemeesters ook daarna voldoet hij niet aan de standaarden van de beschaving. In 1843, als zijn moeder overlijdt, woont hij als kolonist in de kolonie van Weldadigheid te Ommerschans en als hij sterft, in 1853, is hij daar nog steeds.
Jan van Seggeren (de Jong of Monsma) schijnt daarna een beschaafd leven geleid te hebben. Alleen zijn dochter Lieuwkje krijgt een onecht kind dat binnen drie maanden erkend wordt als ze officieel trouwt met Jan Hendriks Elzinga.