Tijdens de geschiedenisles wordt uitgebreid ingegaan op de “sociale kwestie”; één van de belangrijkste vraagstukken die met name in de tweede helft van de negentiende eeuw speelde. Werklozen, gehandicapten, ouden-van-dagen, zieken en weduwen konden maar moeilijk het hoofd boven water houden omdat er amper voorzieningen voor hen waren. Uiteindelijk heeft de verzorgingsstaat hen de helpende hand geboden.

Op 5 oktober 1861 trouwen Gerrit Geerts Hitman en Eelkje Folkerts Tilstra. Ze hebben elkaar ongetwijfeld in Wanswerd leren kennen want hij is daar opgegroeid en zij werkt daar als meid bij een boer. Hij werkt op dat moment als arbeider te Rinsumageest en zij trekt bij hem in. Het huwelijk had niet veel later moeten plaatsvinden want op 31 oktober 1861 is er al sprake van gezinsuitbreiding. De familie schijnt zich goed op haar plaats te voelen want van verhuizen is geen sprake. Eelkje is tussen 1861 en 1872 negen keer zwanger. In 1866 blijft de kleine Theunis Hitman maar twee weken in leven en in 1867 wordt er een levenloos kind “van het mannelijk geslacht” geboren. De tweede Theunis leeft bijna anderhalf jaar en de derde Theunis sterft nog eerder. Niettemin telt het gezin Hitman-Tilstra in 1873 vijf kinderen: Geert (1861), Folkert (1863), Wijke (1864), Sytske (1867) en Douwe (1872).

In de nacht van maandag 21 april op dinsdag 22 april 1873 breekt er brand uit in het kleine arbeidershuis. Alles gaat verloren. Drie kinderen (Geert, Folkert en Wijke) weten het brandende pand ongedeerd te verlaten. Gerrit Hitman, de vader sterft enkele dagen later aan de brandwonden. Het dorp Rinsumageest en omgeving is sprakeloos. Hoe kan de weduwe Eelkje Tilstra geholpen worden?

Drie predikanten slaan de handen in één. De Hervormde dominees van Rinsumageest en Reitsum en de Afgescheiden predikant van Wanswerd ondertekenen met enkele confessionele politici uit Dantumadeel een advertentie die reeds op 29 april 1873 in De Standaard, de krant van de Anti-Revolutionairen, wordt gepubliceerd.

De volledige advertentie

De confessionelen staan het corporatisme voor en gaan uit van de stelling “Draagt elkanders lasten!”. De ondertekenaars van de advertentie doen een beroep op de liefdadigheid om de “Weduwe met vijf kleine kinderen” die strijdt voor haar eigen leven, haar man verloor en twee zwaar verminkte kinderen heeft. ” De NOOD is GROOT, terwijl de ELLENDE, die de overledene man heeft geleden en de moeder met hare twee kindertjes nog ondergaat, bijna niet is te aanzien, nog minder te beschrijven. (…) Mocht dan menigeen een penningske willen offeren; de geringste gift zal met dankzegging ontvangen worden. God, die beloofd heeft een Man der weduwen en een Vader der wezen te zullen zijn, neige uwe harten tot ondersteuning dezer ongelukkigen!” Hoe het geld verstuurd kan worden staat er niet bij want bank- en gironummers waren nog onbekend.

De bedeladvertentie liep al achter de feiten aan. Op 28 april was de weduwe zelf overleden en op 6 mei sterft de jongste zoon Douwe. De achtergebleven wezen gaan naar een “godshuis” in Nijmegen. Geert (1861-1916), de oudste zoon, verhuist daarna naar Mijdrecht waar hij als arbeider werkt. In 1888 is hij getrouwd met Maria Rijnsburger (1862-1944). Folkert (1863-1919), de tweede zoon, trouwt in 1890, met Sjoukje Klazes Postman en vestigt zich als timmerman te ’s Gravenhage. Dochter Sytske (1867-1932) verbindt zich in 1915 met Jacob Jans de Vries (1861-1933) en komt uiteindelijk terecht in Poortugaal. Wijke (1864-1918), de andere dochter, woont ook enige tijd in ’s Gravenhage maar verhuist later naar Zeist waar ze dienstbode is. Zij blijft ongehuwd.

Zeer waarschijnlijk zijn de kinderen in het protestantse weeshuis van Nijmegen terechtgekomen. Hierboven een tekening van het gebouw omstreeks 1850.

De foto is afkomstig uit de collectie van Regionaal Archief Nijmegen, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=63920220