Eén van de voortrekkers van de ruilverkaveling in Dantumadeel was Kornelis Feitses Boersma (1912-1989). Hij had een eigen boerderij onder Rinsumageest en was daarnaast een gedrevene in het openbaar bestuur. Naar zijn gereformeerde achtergrond hoeft niet gevraagd te worden want zijn keus voor de Anti Revolutionaire Partij is daar een gevolg van. Hij was in Dantumadeel raadslid en van 1958-1978 wethouder. Daarnaast werd hij voorzitter van de voorbereidingscommissie en later van de uitvoeringscommissie van de ruilverkaveling in Dantumadeel.

 Aan het begin van de dag dat er over de ruilverkaveling in Dantumadeel gestemd werd was het geen uitgemaakte zaak dat het voorstel daartoe voldoende steun zou krijgen. Mede door de geslepenheid en overtuigingskracht van Boersma werd die meerderheid toch verworven. Enkele dagen later nodigde Dorpsbelang Rinsumageest de heer Boersma uit om het plan toe te lichten.

Volgens de Nieuwe Dokkumer Courant (11 december 1964) memoreerde Boersma  de innovaties van de laatste 900 jaar rond Rinsumageest. Volgens hem werd er tot ongeveer 1600 volop geïnnoveerd maar werd er daarna veel te weinig in de economie geïnvesteerd. De bevolking nam een afwachtende houding aan en voerde alleen het broodnodige onderhoud uit. “Langzaam maar zeker komt men dan achteraan, waardoor een dorp leegloopt en de middenstand vertrekt”. “Maar nu straks de ruilverkaveling komt in Dantumadeel, kan dit ook voor Rinsumageest zegenrijke gevolgen hebben. Mits men in het dorp maar toont over voldoende initiatieven en ondernemingsgeest te beschikken”. Daar moesten de toehoorders het maar mee doen.

Vernieuwers van de landbouw in Dantumadeel

Boersma paste een debatingtruc toe. Hij suggereerde dat ieder, die tegen de ruilverkaveling was, de vooruitgang hinderde. Hij verwijt de voorvaderen gezapigheid en gebrek aan initiatief. In de negentiende eeuw noemden tijdgenoten dit de Jan Salie-houding. De inwoners van Rinsumageest moesten daarmee breken en zelf de teugels in handen nemen om de vooruitgang te bewerkstelligen. Wie wil niet aan de goede kant staan?

Boersma is nobel als hij voorspoed voor de huidige en komende generaties nastreeft maar hij doet de voorouders schromelijk tekort. In tegenstelling tot de vette klei zijn de zandgronden bijzonder schraal. De beste aardappelen komen van de klei maar de beste bonen groeien in de Wouden. Waarmee maar gezegd is dat de grond verschillend maar niet waardeloos is.

Van oorsprong hebben de boeren in Dantumadeel een gemengd bedrijf. Iemand met 15 runderen en één of twee paarden mocht zich al snel een rijke boer wanen.  De bedrijven waren tot in de 19de eeuw zeer extensief:  de waterhuishouding was niet op orde; er werden weinig machines gebruikt en het meeste werk gebeurde handmatig;  zelfs als er kunstmest werd gebruikt bleef de vruchtbaarheid van de grond een probleem en de landerijen lagen vaak te verspreid om een efficiënte bedrijfsvoering te garanderen.

Daarnaast werden de agrariërs regelmatig geconfronteerd met overstromingen en dierziekten. In de tweede helft van de 18de eeuw heerste de veepest. Vrijwel geen bedrijf werd gespaard en op sommige boerderijen halveerde de veestapel. De crisis kwam hard aan. Het was de tijd van de Verlichting. Petrus Adrianus Bergsma, de grietman van Dantumadeel, was beïnvloed door  deze beweging en geraakt door het economische en sociale leed dat in 1769 in zijn grietenij was gevolgd op de veepest. Hij probeerde de boeren meer zekerheid te geven en zocht naar nieuwe gewassen die minder vatbaar waren voor ziektes en meer opleverden.

Doordat de Amerikanen  tussen 1775-1783 hun onafhankelijkheid bevochten stokte de aanvoer van tabak naar Europa dat het allang niet meer zonder nicotine kon stellen. Bergsma droomde van gouden bergen op de zandgronden en introduceerde hier de tabaksteelt. Veel boeren volgden hem maar moesten tot hun leedwezen constateren dat dit goud, na het beëindigen van de Onafhankelijkheidsoorlog, in Europa veel minder glans kreeg.

Het gebouw van de cichoreidrogerij “Ons Belang” in Wouterswoude

Bergsma was een volhouder en ontdekte de cichorei. Veel landerijen waren al gescheurd voor de tabaksteelt en daarom kon makkelijk worden overgestapt op de teelt van dit “nieuwe” gewas. Opnieuw deden veel boeren enthousiast mee en sommigen gingen zelfs werken als cichoreidroger. Tot aan, ongeveer, de Eerste Wereldoorlog bracht de cichoreiteelt vaak een goede boterham in de gezinnen van boeren en arbeiders.

Landelijk werd er regelmatig over “arm Dantumadeel” gesproken. Net als in Tietjerksteradeel en Achtkarspelen heerste hier veel armoede. De cichorei bracht niet voldoende soelaas want er was een overschot aan arbeidskrachten. Vooral in de wintermaanden moesten veel gezinnen op een houtje bijten. In de tijd van de agrarische crisis (eind 19de eeuw) waren alle armenkassen leeg en werd het bedelen zelfs oogluikend toegestaan.

Dit armoedeprobleem speelde in de hele 19de eeuw. De leden van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen speelden hier op in door bijvoorbeeld braakhokken te bouwen waar de werklozen in de slappe tijd, zonder afhankelijk van de charitas te zijn, zelf een centje konden verdienen. Ook andere werkgelegenheidsprojecten kwamen van de grond. Meisjes konden zich op de breischool bekwamen in het nuttige handwerken en jongens kregen een opleiding tot stoelenmatter.

De grote animator van deze werkgelegenheidsprojecten was Dirk Fontein de Jong (1836-1898). Hij had drie cichoreidrogerijen, was een voorman van het Nut en zat in de gemeenteraad. Daar bleef het niet bij. Hij pleitte vurig voor innovaties in de landbouw en nam meerdere malen het initiatief om een waterschap te stichten. Hij had een scherp oog voor het belang van het financieel verkeer bij het verbeteren van de economie en nam het initiatief voor een spaarbank én initieerde een verzekeringsmaatschappij in Dantumadeel. Als voorzitter van de Friese Maatschappij van Landbouw maakte hij buitenlandse reizen, om daar van de ontwikkelingen te leren, en organiseerde hij landbouwtentoonstellingen waar de boeren kennis konden maken met de laatste technische snufjes. Ook zette hij zich in om de veestamboeken verder te ontwikkelen. Veel boeren, ook uit de Dokkumer Wouden, deden mee aan wedstrijden waarbij de beste stier, koe of paard werd bekroond. Dit waren jaarlijkse competities zodat de staat van het vee voortdurend verbeterd werd.

Rond de wisseling van de 19de naar 20ste eeuw werden coöperatieve melkfabrieken opgericht, onder meer in Akkerwoude en Rinsumageest. Dit betekende een enorme verbetering omdat de boer zich kon richten op verbetering van het vetpercentage, dat steeds gecontroleerd werd, en de constante kwaliteit van de boter en de kaas gegarandeerd kon worden.

Kornelis Boersma hekelde in 1964 de Jan Saliegeest van de boeren in Dantumadeel. Ten onrechte! Veel boeren hadden in de afgelopen eeuwen reeds alles uit de kast gehaald om de opbrengst van hun bedrijf te verbeteren. Niets bleef hetzelfde want innovatie is een continu proces.