Elke tijd heeft z’n hype. In de 19de eeuw werden arme mensen opgezonden naar de kolonies van Weldadigheid in Veenhuizen om heropgevoed te worden. De namen van meerdere Dokkumers zijn terug te vinden op de lijsten van “het pauperparadijs” maar namen van Dantumadeelsters zijn bijna niet te ontdekken.  

Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw stond er in Murmerwoude, naast het logement de Kruisweg een bakkerij/veehouderij die in opdracht van Harmen Tsjibbes Westerlaan (1832-1916) was gebouwd. Harmen Westerlaan was een bakker pur sang maar hij combineerde deze professie met die van de veehouderij. Harmen was in 1856 getrouwd met Petronella Postmus (1840-1867) en kreeg bij haar drie kinderen. Dochter Antje  (1859-1928) trouwt met Tiete Freerks Bosgraaf (1857-1922) en Tjitske (1865-1945) met Jacob Bodes de Vries (1863-1898). Tsjibbe (1861-1906), de enige zoon, hij blijft zijn hele leven vrijgezel.

Moeder Petronella overlijdt op 26 jarige leeftijd waarna de zorg voor de kinderen helemaal voor rekening van vader Harmen Westerlaan komt. In 1870 hertrouwt hij met Bjettje Thysses Braaksma (1848-1924) en met haar krijgt hij de zorg voor nog eens zes kinderen. De vader van Bjettje was kooiker, koopman en dagloner.

In 1863 verkocht Harmen Tsjibbes Westerlaan de bakkerij bij de Kruisweg. Hij verhuist dan naar een huis dat vlakbij de Trijehoek in Akkerwoude staat en is daar bakker en koopman. In dit pand was tot het laatste kwart van de twintigste eeuw een bakkerij gevestigd.

Bijna twee eeuwen was er in Nederland militaire dienstplicht voor jongens van ongeveer 18 jaar. Sommige manschappen beleefden hier de tijd van hun leven, anderen vonden het een zinloze periode en weer anderen deden alles om deze dans te ontspringen. Tsjibbe Westerlaan kon geen genoeg krijgen van het militaire leven. Jammer genoeg kunnen we hem niet meer vragen wat hem zo boeide aan dit bedrijf. Was het geld, was het avontuur, was het zucht naar het onbekende of ging het om de kameraadschap?

Terwijl veel leeftijdgenoten bijna onwrikbaar verbonden waren aan de Dokkumer Wouden zocht Tsjibbe het heil al jong elders. Voor hij militair werd was hij arbeider bij een boer in Beers.  Op 21 juni 1881 trok Tsjibbe voor het eerst “ ’s Konings wapenrok” aan. Nanne Greben, een ongeveer vier jaar jongere boerenzoon die in Warga geboren was, trok tijdens de loting aan het kortste eind.  Hij hoorde tot de groep die alles deed om onder deze verplichting uit te komen en zocht iemand die de dienst van hem over wilde nemen.  Tsjibbe Westerlaan moest voor zijn “eigen nummer” nog een jaar dienen. Het leven als soldaat beviel hem wel en daarom was hij bereid verder te dienen voor het nummer van Nanne Greben.  De afspraak werd door een notaris vastgelegd en Nanne beloofde een bedrag van fl 325 te betalen aan Tsjibbe zodra deze definitief met groot verlof werd gestuurd en aan al zijn verplichtingen had voldaan.

Tsjibbe was infanterist. Na de afspraak met Nanne Greben werd zijn contract bij de Nationale Militie op 18 april 1886 vernieuwd.  Hij beloofde nog zes jaar te dienen en de staat beloonde dat voornemen met een premie van fl 60. Tsjibbe stapte kort daarna over van de Infanterie naar de Koloniale Troepen. De eerder betaalde premie werd teruggevorderd maar in ruil daarvoor kende defensie hem een gratificatie van fl 300 toe. Daarna werd hij ingescheept voor een ongeveer vijfjarig verblijf in Nederlands Oost-Indië.

Inmiddels gaf Nanne Greven zijn burgerlijk leven vorm. Hij trouwde in 1887 met Maaike Sipma uit Vrouwenparochie en werd al snel vader van twee dochters: Maaike en Grietje. In eerste instantie woonde Nanne op diverse plaatsen in Friesland maar later vertrok hij naar de omgeving van Groenlo. Zijn echtgenote stierf in 1943 in Groningen.

Over het wel en wee van Tsjibbe Westerlaan in de Oost is niets bekend maar op 23 augustus 1892 is hij terug in Patria en stapt hij in Rotterdam van de boot. In feite zou daar het goud op hem wachten:  Fl 325 van de familie Greben, fl 300 gratificatie van de landelijke overheid. Veel nummerverwisselaars gebruikten het geld om een huis van te kopen of investeerden het in een eigen bedrijf.

Maar gebeurt er met Tsjibbe Westerlaan? Komt het geld niet los? Is hij aan de drank? We weten het niet alhoewel er geen twijfel mogelijk is aan het feit dat hij platzak was. Hij raakte, bijna direct na zijn terugkeer, duidelijk van het padje af.

In september 1893 werd hij gedetineerd in Leeuwarden. Hij  was toen 31 jaar oud, had geen beroep en geen vaste verblijfplaats. Tsjibbe werd er van beschuldigd een paard uit de weide te hebben gestolen en moest daarom zes maanden achter slot en grendel. In augustus 1895 is hij opgepakt voor landloperij en werd hij voor een periode van drie jaar opgezonden naar Veenhuizen. Toen die straf er op zat heeft hij zich gevestigd in Leeuwarden en in september 1899 verhuisde hij naar een onbekend oord. In 1902 zat de Rechter-Commissaris van ’s Hertogenbosch hem op de hielen. Opnieuw is hij veroordeeld en opgezonden naar Veenhuizen waar hij op 17 november 1906 is gestorven.

Er zitten aan dit verhaal enkele interessante aspecten. Johannes van den Bosch had in de 19de eeuw het initiatief genomen om de Kolonies van Weldadigheid in het leven te roepen. Hier kregen ”uitgestotenen” een nieuwe kans. In het programma Verborgen Verleden werd gezegd dat dit lot de voorouders van veel Nederlanders heeft getroffen. In de gemeente Dantumadeel was de armoede in die tijd een groot probleem maar er is vrijwel niemand naar Veenhuizen gestuurd. Tsjibbe Westerlaan was een uitzondering. In de tweede plaats komt de vraag op waarom de familie zich niet bekommerd heeft om hun broer Tsjibbe. De familieleden waren zeker niet de rijksten in Dantumadeel maar ze hoorden ook niet tot de armsten. Was Tsjibbe het contact met zijn familie verloren?   Ten slotte zien we dat er troepen werden opgezonden naar de Oost. Al in de tijd van de VOC hadden de mannen een hard leven. Slechts de elite profiteerde echt van deze kolonie.