In de tijd zonder podcasten waren er op de radio regelmatig curieuze programma’s te beluisteren. Ate Doornbos toog in 1959 naar Zwaagwesteinde en zette daar de bandrecorder op de tafel van Anna Petronella Dijkstra (1887-1966). Ze was opgegroeid in de Drentse veenkoloniën en had daar, van haar vader, veel liederen geleerd die tijdens het werk, vooral door Friezen en Groningers, gezongen werden. Doornbos wilde deze liederen voor het nageslacht bewaren, nam ze op en liet ze horen in het radioprogramma Onder de Groene Linde. Eén van de liederen die Anna Dijkstra zong was “Mijn vader had een houwer”. Ik heb het woord houwer in het woordenboek opgezocht en kwam er achter dat dit een groot mes is. Het lied heeft aan actualiteit niet ingeboet het gaat over oorlog en vrede: “Mijn vader had een houwer. Had ik mijn vaders houwer een ogenblik; ik zou vliegen als een gier van Oost naar West en overal waar oorlog is. Soldatenpest…”. Ze bezingt ook een knaapje op de Friese heide. (Klik op de vetgedrukte woorden om het lied te beluisteren).
Bij gebrek aan radio’s, grammofoons en andere instrumenten werd er in het verleden vaak samen gezongen. In de Dokkumer Wouden was veel gemengd bedrijf en het wieden van de velden kostte veel tijd aangezien er nog geen machines waren. Mijn vroegere buurvrouw Trijntje Fokkens-van der Meulen vertelde dat jongelui en vrouwen veelvuldig werden ingezet bij het wieden. De inspecteur van het onderwijs was er niet blij mee omdat dit de oorzaak was van veel schoolverzuim. Het werk gebeurde in ploegen die “een boom” vormden en vaak onder leiding van een ploegbaas stonden. Er werd niet alleen vlakbij huis gewerkt maar ook in het Groningerland. De “boom” ging van veld naar veld en werkers zongen veelvuldig om de moed er in te houden. Soms waren de liederen zelf bedacht of werden coupletten aan bestaande liederen toegevoegd.
Anna Dijkstra was niet de enige die door Ate Doornbos werd geraadpleegd. De amateur-archeoloog Johannes Minnema (1903-1984), geboren in Murmerwoude en woonachtig in Westergeest, vertelde Doornbos dat de liederen die hij kende vooral geleerd waren van zijn grootmoeder van moederskant. Dat was Grietje Harmens Dijkstra (1841-1883). Doornbos neemt bij Minnema onder andere het lied “Daar reed een boer om turf en hout” op waarin ook amor duidelijk aanwezig is.


In Akkerwoude is Grietje Blumers-de Jong (1903-1973) bezocht. Haar vader Tjeerd kwam in een baggerkeet ter wereld. Zijn moeder ging, met de baggeraars uit de Wouden, naar Drenthe en kookte voor hen. Vader Tjeerd werkte vanaf zijn zesde op een baggerpraam. De liederen die hij tijdens het werk zong gaf hij door aan zijn dochter. Zij beheerste een groot repertoire en zong onder meer kinderliedjes zoals “Fuot âlde hoppe nei Dokkum ta” en “Wai Wai hinke / Nei Ljouw’ ta om in skinke”. De educatieve opzet van de liedjes valt op: kinderen leren tellen, de namen van steden kennen en dingen benoemen.
De opnamen van Ate Doornbos worden bewaard door het Meertens instituut en zijn online te beluisteren. Het is een fraaie bron en geeft duidelijk stem aan het verleden. Meer weten of horen? Ga naar http://www.liederenbank.nl/ en tik bijvoorbeeld een zoekwoord als Akkerwoude, Dokkum, Murmerwoude, Veenwouden in.
Een enkele keer werd een plaatsnaam verwerkt in een lied. Dit vers gaat over de herberg in Veenwouden.
Geef een reactie