Sinds het internet veel geraadpleegd wordt heeft “fact-checking” aan belang gewonnen. Met één druk op de knop van de computer kan met groot gemak een theorie worden gepubliceerd die soms kant noch wal raakt.
Benieuwd naar informatie over het dorp Feanwâldsterwâl belandde ik op de website van Wikipedia. Tot mijn grote verbazing las ik daar: “Het dorp was oorspronkelijk een veenkolonie, mogelijk van doopsgezinden uit Giethoorn. Er was tot 1865 daarom niet alleen sprake van een kleine doopsgezinde kerk, maar van een sfeer die doet denken aan Giethoorn. Er zijn vele bruggen en bruggetjes die voor vele woningen de enige verbinding vormen met de doorgaande weg”.

Het klopt dat er in het verleden veel veenbazen in Feanwâldsterwâl woonden en veel families worden dagelijks herinnerd aan het feit dat op deze plek hun voorouders zich in het zweet werkten om het veen te winnen. Ze dragen de naam Van der Veen, Feenstra, Veenstra of Venema.
Dit gebied hoort tot het noordelijkste deel van het fries-drentse keileem plateau. Het veen in dit gebied kwam al vroeg aan snee omdat het makkelijk te winnen was. In hun boek over Tietjerksteradeel schrijven Spahr van der Hoek en Ypma dat hier in een eerder stadium hoogveen lag. Aan het eind van de 16de eeuw kwam er een eind aan de turfwinning ten noorden van Bergum en werd de turf gestoken in de buurt van Oostermeer. Een deel van de vergraven hoogveenlanden zijn daarna omgetoverd in cultuurland maar een ander deel liet men verwaarloosd liggen waardoor de Bergumer heidestreek ontstond.

Het Fries Drentse plateau.
De turfwinning bij Feanwâlden wordt vaak in één adem genoemd met de prestaties van de monniken van het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest. Ik denk dat het enthousiasme daarover enigszins getemperd moet worden. De Middeleeuwers wilden er in de winter graag warmpjes bijzitten. Daarom hadden kloosters én particulieren vaak het recht om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid turf te winnen. Als relatief grote instelling was het dus niet vreemd dat Klaarkamp z’n turf uit Feanwâlden haalde. Het Dokkumer klooster had bijvoorbeeld rechten liggen onder Walterswâld.
Nadat het hoogveen grotendeels was afgegraven kwam het laagveen in de belangstelling. Dit lag lager dan het hoogveen en moest vaak opgebaggerd worden. Het waterpeil in nattere gebieden werd met molens verlaagd om vervolgens het laagveen op een makkelijke manier te winnen. Nadat deze klus geklaard was bekommerden de veenbazen zich meestal niet over het achtergelaten gebied dat, nadat de molens waren uitgeschakeld, veranderde in een omgeving van meren en plassen. Vergraven landen konden daardoor niet meer worden omgezet in cultuurland.
In Giethoorn werd, vanaf de helft van de 18de eeuw, gewerkt met een “zoogenaamde GrooteModderbeugel” waarmee onder het waterniveau én zeer rigoureus laagveen werd gewonnen. Het resultaat van de “Gieterse methode” was behoorlijk destructief.
Omstreeks 1750 trokken turfgravers vanuit Noordwest-Overijssel (Giethoorn) naar het Friese laagveengebied (Weststellingwerf, Opsterland, Schoterland). Het Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie (deel 47) dat in 1993 verscheen, bevat een zeer interessant artikel van Jochem Kroes over de groepsemigratie van deze Overijsselse turfgraversfamilies.
Uit niets blijkt dat deze families zich in de buurt van Feanwâldsterwâl hebben gevestigd. De Gieterse methode kwam pas in zwang na 1750. Uit de Quotisatiekohieren en andere archieven weten we heel zeker dat de veengraverij in handen was van lokale veenbazen. Mogelijk hebben deze ondernemers zich wel georiënteerd op de Gieterse werkwijze alhoewel ze ook hun eigen keuzes maakten.
De families uit Giethoorn werkten vrij commercieel. Ze hadden bedrijven waar meerdere arbeiders emplooi vonden. In Dantumadeel en Tietjerksteradeel was er van sprake van kleine bedrijven. Er waren talloze veenbazen die hun thuisbasis hadden in ondermeer Feanwâldsterwâl, De Falom en op de Broek onder Akkerwoude. De veenbazen deden in het seizoen een beroep op dagloners die de rest van het jaar bij de boer werkten of elders werk vonden.
Veenbazen konden, net zo min als de boeren, niet al hun zonen een baan garanderen. Met name jongens uit deze families gingen het transport van de turf verzorgen en werden later vrachtschippers in algemene zin. Zij voeren meestal op skûtsjes. Voor de Tweede Wereldoorlog kwam er een eind aan hun werkzaamheden.
Nu de factfinding: Op de vraag of de nederzetting Feanwâldsterwal een creatie van Gieterse veenbazen is luidt het antwoord duidelijk: nee. De Gietersen werden pas productief terwijl de veenontginning rond Feanwâldsterwâl al meer dan honderd jaar bezig was.Omdat beide nederzettingen ontstaan zijn als veenkolonie lijken ze wel op elkaar.
En dan hebben we het nog niet eens gesproken over de doopsgezinde kerk. Dat is een verhaal voor een andere keer.
Geef een reactie